De geschiedenis van het Kaatsen in Boazum Hoofdstuk 3

De Geschiedenis van het kaatsen in Boazum 

Hoofdstuk 3 Jacob Sjuks Zandstra, de beroemde Bozumer Kaatsbalmaker.

Het volgende verhaal is vrij naar het jubileumboek van de Koninklijke Nederlandse Kaats Bond: 100 jaar KNKB 1997. J.J.  Kalma vertelde er over in zijn boek ‘Keatsen in Fryslân’.

Het kan haast niet anders of er zijn in de 19e eeuw allerlei soorten ballen in omloop geweest, met alle gevolgen van dien. Net zomin als er eenheid in de kaatsregelmenten was, was er een eenheidsbal. Wellicht namen de opslagers zelf ook wel ballen mee naar de wedstrijden waaraan ze deelnamen. Wij vernemen, dat er aan het eind van de eeuw te Dokkum nog vrij harde ballen in gebruik waren, die niet helemaal rond waren en naairanden hadden. Deze kwamen uit Holwerd. Op het Bildt, te Witmarsum en elders was het weer anders. Er werd plaatselijk gespeeld met harde of zachte, grotere of kleintjes. Dat verschilde bijna per dorp. Zoals de spelregels ook per dorp konden verschillen.

In hout gesneden beeltenis uit Goirle van de kaatsballen maker: De “Balle frutter”. Nog altijd verwijst deze naam naar de Kaatsbalmakers uit Goirle. Zelfs de Canavalsvereniging heeft zich naar hen vernoemd.

De Friese Schoenmakers waren degenen die ervaring met leer hadden. Daardoor konden ze in die dagen druk experimenteren. De een had daar een gelukkiger hand in dan de andere. Iemand die het in de vingers moet hebben gehad, was de Bozumer schoenmaker ‘Jabik Sjoks’ Zandstra, geboren op 5 september 1810 te Bozum. Het verhaal zegt dat men in die dagen (in de 19e eeuw!) te Bozum op ‘It grien’ kaatste, daar waar het nu Dokter Miedemastrjitte heet. Daar liep en loopt een sloot langs het veld. Er raakte dus nogal eens een bal zoek en het gevolg was dat er betrekkelijk veel behoefte aan ballen was. Deze waren niet duur, ze kostten vijf of zeven cent. Maar het geld was toen meer waard dan tegenwoordig en de arbeiders waren arm. Het gebeurde dus vaak dat de Bozumers niet kaatsen konden, terwijl ze dat toch heel erg graag wilden. Jabik Sjoks had medelijden met zijn dorpsgenoten en hij maakte daarom gratis ballen voor de mensen. Deze waren, omdat alle begin moeilijk is, het eerste jaar niet best, maar het jaar daarop waren ze al veel beter en het derde jaar waren ze zo goed, dat de Bozumer kaatsers ze meenamen naar elders.

Een kaatsbal van Jacob Sjuks Zandstra. (Foto Kaatsmuseum Franeker)

Dat is het begin geweest van de roem van de ‘Bozumers’, want het duurde toen maar heel even of de bal van Jabik Sjoks werd een begrip. Het werd al spoedig de meest begeerde bal. De schoenmaker werd ballenfabrikant en ca. 1870 bloeide zijn zaak. Maar de Bozumer Bal heeft de schoenmaker niet rijk gemaakt, want het is bekend dat Jabik arm is gestorven (4 januari 1890, 79 jaar oud). De laatste tijd was hij in de kost bij ‘Lytse Age’ (Strikwerda) de kampioen katknuppelaar, ook bekend als de ‘Duivel van Bozum’.
De naam ‘Bozumer bal’ is echter ook na de dood van Jabik Sjoks blijven bestaan. Zelfs in deze eeuw! Zo werd een wat kleine bal, die goed rond en hard was en ‘lopen’ kon, een ‘Bozumer’ wordt genoemd, ook al werd hij elders gemaakt. Men vertelt ons, dat op Het Bildt ‘Bozumer bal’ nog steeds de gewone naam is voor een beste kaatsbal.

Jacob Sjuks had in 1847 het huis, erf en tuin van zijn vader Sjuk Douwes Zandstra overgenomen. Vader Sjuk had het al van voor 1832 in bezit. Dat jaar begon de administratie van het Kadaster. Vader Sjirk Douwes en grootvader Douwe waren ook schoenmaker.
Jacob Sjuks was in Bozum geboren op 5 september 1810 als jongste van vijf kinderen. In 1840 trouwde hij met Antje Jans Noordmans van Oosterlittens. Daar woonde en werkte hij ook als Schoenmaker. Op 2 maart 1848 vertrokken ze volgens de kerkelijke administratie van Oosterlittens naar Bozum. In 1863 heeft hij zijn huis aan het tegenwoordige It Heech verkocht. In 1864 wordt zijn huis verkocht. Waarom is niet bekend. Het huis, Baard E 398, stond waar nu Huize Wynia op It Heech staat. Hij is zelf verhuisd naar nummer 46b. Vanwege de b zal het waarschijnlijk een kamer zijn geweest van het huisnummer 46. Hij heeft sindsdien niet meer in een eigen huis gewoond. Hij heeft wel tot aan zijn dood als schoenmaker gewerkt.

Bij het overlijden van zijn dochter Doutsen, december 1887 werd hij in haar overlijdensakte tenminste nog schoenmaker genoemd. Kalma geeft in zijn boek aan dat er in 1887 door A. H. Cohen, groothandelaar in kaatsballen in Leeuwarden, reclame gemaakt wordt voor de “echte (zoogenaamde Bozumer) witleeren kaatseballen”. Een jaar later maakt hij reclame voor “de echte Witmarsumer witleeren kaatseballen”. De vraag doet zich dan voor of Jacob in 1888 nog kaatsballen kon maken.

Zijn vrouw Antje overleed 28 december 1851.
Ze kregen zes kinderen, waarvan er twee kort na geboorte overleden.
Doutsen * 01-03-1841 Bozum             + 27-07-1841 (Bozum)
Doutzen *10-06-1842 (O’littens)         + 24-12 1887 (Sneek)
Sjuk * 27-01-1844 (O’Littens)              + 09-02-1844 (O’littens)
Froukje * 18-12-1844 (O’littens)          + 18-10-1917 (Bozum)
Sjuk *19-04-1847 (O’littens)                + 27-06-1877 (Bozum)
Jantje *25-04-1849(Bozum)                 + 14-02-1888 (Spannum)

De kadastrale situatie van Boazum in het begin van de 19e eeuw, met het huis van Jacob Zandstra in rood ingetekend. Daar woonde hij van 1848 tot in 1864, zie de onderstaande advertentie uit april/mei 1864. Nu is daar globaal de parkeerplaats naast het Doarpshûs en Huize Wynia.

 Uiteindelijk sterft hij in 1890 bij Age Strikwerda de ‘Divel fan Boazum’. Dat zal in een huisje geweest zijn dat toen in het grasveld stond naast het huis van Rolf en Lieke Martens, De Pôlle 12.

Toegift:

It Boazumer baltsje

Er is ook een gedicht overgeleverd over de Boazumer Kaatsbal. Het is duidelijk nog niet zo heel lang geleden geschreven:

Dit gedichtsje is bedoeld foar jimme allen. It wie it ferhaal fan de Boazumer ballen.

Elts dy’t keatst hat my wol iens sjoen, ik gean dan meastal fan hân nei hân
Ik bin wol lyts mar wol slim hurd, wat útlokket soms in hiel grau wurd
Soms wurd ik wosken mei wat fliep, as soe ik samal rolje yn de sliep
Inkeld litte se my mei opset gean, sjen dat ik net te sliepen stean
Se slaan my soms mei in learen want, ik freegje my dan ôf, brûk dyn ferstân
Die lju dy gnize ek noch fan dy keus, prizen moat men winne dat is de grutte leus
Wat sjoch ik derfan werom nei sa”n lange dei. Ut lilkens nimme se my soms ek noch mei
Soms slane se bot tsjin my oan, dan flean ik oer it hiele lân
Ek wol reitsje se my mei wat gelok, letter hearde ik dan in grauwe flok
Soms hie ik ek moaie dagen, wis. Dan wurd er net slein, suver in gemis.
Jo binne mar lyts, dat is jo jûn. Dat binne de regels fan it oerkoepeljend bûn
It gewicht mei ek net boppe de noarm stekke. It leer sit strak en mei beslist net rekke
Sels it hier moat fan in hynder wêze, ek dat kin men yn de foarskriften lêze
Werom no altyd sa,n strak beleid. It spul mei my is dochs mar in aardichheit.
Earst waard ik allinne troch de manlju brûkt. No ha de froulju ek in keatsbroek oanlûkt.
Sadwaande ha ik minder frije dagen, it binne soms fan dy gekke blagen
De fammen witte dochs ek fan slaan, dat wol. Dy wolle net neamt wurde fan âlde soal.
Mannich prizenkast stiet fol mei my behelle. Ik soe sa graach dy grutte cracks ris belje
Mar eilaas dy mooglikheid is my net jûn. Dochs ha ik in oare manier wol fûn,
Om efkes de oandacht fan myn folk te winnen. Ik fyn, dat kin troch dizze mannich sinnen.
Alde jonges, krintekoeke seit men wol. No wier boys, it is my net gau te dol.
Ik hoopje dat ik jimme noch lang gerief. It hâld jin jong en net gau styf.
Genietsje fan dat moaie spul dat keatsen hjit. Giet it soms wat minder rop dan 2 x shit!!
It is lang mooglik om oan dizze sport te dwaan. Altyd noch as trije maten makket men in span
It bliuwt moai dat is foar my in wonder. Ik fyn it sa goed, oars krij ik op myn donder.
It stiksel is de iennichste fersiering mar. By it meitsjen hie men grif gjin oare kar.

Bronnen:

het jubileumboek van de Koninklijke Nederlandse Kaats Bond: 100 jaar KNKB, 1997.

J.J.  Kalma ‘Keatsen in Fryslân’, Franeker, 1961 (Fryske Akademy nr. 187)